Fragment 7

Boodschap (uit hoofdstuk 12)

De bevalling van onze tweede zou thuis plaatsvinden. We hadden het allemaal goed geregeld. Op Papenvoort hoefde ik geen nachtdiensten meer te draaien en als het nodig was kon ik stante pede vertrekken. Ook met pa en ma was het goed afgestemd. Vooraf hadden we overlegd dat ma Mariska zou ophalen. Dat was handiger, want mijn schoonouders woonden net wat verder weg. Rond half drie in de nacht van 19 april belde ik haar.
– Ma, het is zover, kom maar.
We hadden in de weken ervoor al uiterst duidelijk gemaakt: halen en meteen weg. Ook pa had haar die boodschap nogmaals meegegeven. En warempel, alles verliep zonder gezeur of gedoe, zowel vooraf als op het moment zelf. Ze kwam, wenste Lammy sterkte en succes, kleedde Mariska warm aan en vertrok direct.
Ook de bevalling verliep vlotter dan gedacht, ook vlotter dan de verloskundige had voorzien. Waar we bij ma alles op alles moesten zetten om haar meteen te laten vertrekken, moest Lammy dat bij de verloskundige doen om haar juist te laten blijven. Want na de eerste check gaf die te kennen dat het nog wel even zou duren en dat ze dus later wel terugkwam. “Ze kan niet weg, ze kan niet weg!” schreeuwde Lammy, en zette extra kracht, alleen om de verloskundige thuis te houden. Evenals bij ma was die actie maar goed ook, want binnen een mum van tijd kwam Susanne ter wereld.
’s Morgens in alle vroegte belden we de vier grootouders. Een kleindochter! Ma gaven we nog een extra boodschap mee: we wilden dat Mariska snel bij haar zusje zou zijn.
– Maar natuurlijk, we komen zo snel als het maar mogelijk is.
Lammy’s ouders waren er al vlug. Haar vader ging rond een uur of acht naar zijn werk en Lammy’s moeder bleef bij ons, zette koffie en thee en hielp de kraamhulp waar nodig.

Wij bleven wachten op Mariska. Wij waren benieuwd hoe de eerste ontmoeting van de zusjes zou zijn. Het liep al tegen negen uur en mijn ouders kwamen maar niet. Ik belde nogmaals.
– Ja, wij komen er aan, zei ma. Nog even geduld.
Na een kwartier nog steeds niks en ik weer bellen, nu echt geïrriteerd.
– Als het nog langer duurt, kom ik haar zelf halen!
– Ja-ja, we hebben onze jas aan en wij gaan nu de deur uit.
Een kwartier later nog steeds niks. Omdat er niet meer werd opgenomen, moesten ze nu wel onderweg zijn. Ik op de uitkijk, maar geen ouders in zicht, dus ook geen Mariska. Weer bellen, wederom geen gehoor.
Even na tienen kwamen ze er uiteindelijk aan.
We slaagden erin om ons ongenoegen te beteugelen, omdat ongenoegen bij de gelegenheid niet zou passen. We waren immers blij met de geboorte van Susanne. En Mariska kon haar uiteindelijk ook bekijken en knuffelen.
Pa verklaarde dat ma het belangrijk had gevonden dat Mariska eerst goed ontbeet, rustig douchte en zorgvuldig werd aangekleed, en dat ze nog naar de winkel moesten voor een bloemetje en voor cadeautjes voor Lammy en Susanne. Hij had er nog op aangedrongen dat het beter was eerst met Mariska naar haar zusje te gaan. Bloemetjes en cadeautjes konden volgens hem later wel.
Dit soort tactieken waren typisch ma. Dat het een wraakactie was voor wat haar drie jaar terug was aangedaan, kon niemand bewijzen. Zo mocht ze graag doen om te treiteren, te pesten, anderen – en mij in het bijzonder – het bloed onder de nagels vandaan te halen. Ook al was het jaren later. Zeker in situaties waarvan ze wist dat anderen niet direct boos op haar konden reageren omdat het daar het moment niet voor was.
“Oôôôhh,” zei Mariska toen ze de baby zag, “Is dat nou echt mijn zusje? Blijft ze nu altijd bij ons?” Het was háár zusje en zij was meteen de grote zus. “Als Susanne wakker wordt, gaan we spelen.”