Fragment 6

Vernoemd (uit hoofdstuk 12)

1988. Eind februari zou onze eerste kleine komen. Ma gaf te kennen dat ze bij de geboorte aanwezig zou zijn.
– Hoe kom je daar nou bij, dat je bij de bevalling bent? vroeg Lammy. Ik wil je er niet bij hebben. Rolf is erbij.
Ma keek verwonderd.
– Ach, Rolf … Hij denkt dat hij een boel kan, maar hij kan niks. Als zijn moeder weet ik dat. Jij kent hem nog niet zo lang als ik.
Maar Lammy wilde onder geen beding iemand anders erbij.
– Als ik er naast Rolf iemand bij de bevalling zou willen hebben, dan is dat mijn eigen moeder.
Ma keek verschrikt op.
– Wees gerust, die komt toch niet. Rolf en ik klaren deze klus samen.
Daarop veranderde ma van strategie. Nu bood ze zich aan als leverancier van hand- en spandiensten. “Ik hoef niet bij de bevalling te zijn, ik zal wel thee zetten.”
Al tijden had ze haar zussen op de hoogte gebracht dat zij opnieuw oma werd en dat zij met al haar ervaring bij de geboorte van haar kleinkind mocht zijn: “Je weet, Rolf kan niets, dus ik ben erbij.” Dat feest ging dus niet door. Wat moest ze nou tegen ze zeggen?
Het was een hele toer om onder haar geplande aanwezigheid uit te komen. Misschien was het daarom dat onze baby de baarmoeder verkoos boven mijn moeder. Tien dagen na de uitgerekende datum wilde de gynaecoloog niet langer wachten, ook omdat bij de controle de hartslag onregelmatig was. De bevalling zou worden ingeleid. Lammy moest in het ziekenhuis blijven.
Dit werd allemaal op stel en sprong besloten, dus dan vergeet men nog wel eens wat. Een fototoestel bijvoorbeeld. Daarom had Lammy’s moeder mijn ouders gebeld. “Rolf is zijn fototoestel vast vergeten. Jullie wonen dichterbij, kunnen jullie even kijken of dit klopt en het hem nog brengen?”
Lammy had al weeën toen de verpleegkundige kwam vertellen dat er twee mensen voor de deur stonden, waarschijnlijk ouders. Ik wist meteen van wie die ouders waren. Ik liep naar de deur. Tussen de verloskamer en de gang was een halletje. Ook al was er vanaf de gang niets te zien, toch glipte ik in één snelle beweging naar buiten en trok de buitenste deur vlug achter me dicht. In die ene tel had ik hun contouren al herkend.
Daar stonden ze, mijn moeder voorop met een opengeknoopte jas en pa vlak erachter. Deze glimlach en de twinkeling in de ogen had ik nog nooit bij haar gezien. Opgetogen, hoopvol.
– Hallo, hier zijn we, zei ze.
Ze wilde me wel opzij duwen, maar ik ging pontificaal voor de deur staan.
Ze reikte triomfantelijk mijn fototoestel aan. “Die was jíj natuurlijk weer vergeten”, zei ze, terwijl ze langs mij heen keek naar de gesloten deur alsof ze toch iets probeerde mee te krijgen van wat daarachter gebeurde. Ik bedankte, wilde snel weer naar binnen gaan, maar ze hield me tegen en vroeg: “Mag ik nog even kijken?”
Pa trok haar resoluut weg. “Alie, meekomen nu! Die jongen is duidelijk genoeg geweest.” Toen ik de klink beroerde, zette ze aan voor haar ultieme poging om, door desnoods te smeken, alsnog mee te mogen naar binnen, waar het gebeurde.
– Alie meekomen! NU!
Ik duwde tegen de deur om terug te gaan, terwijl pa hetzelfde deed met ma. Voor ik de deur dicht trok zag ik hem nog even omkijken met een knipoog.

Mijn broer en schoonzus hadden ma een halfjaar daarvoor haar eerste kleinkind bezorgd. Een jongetje. Bernard. Een paar maanden ervoor was ze al begonnen over de naam. Het eerste kind van het eerste kind, dat móest vernoemd worden. Een naam met een traditie in de familie, daar hamerde ze op. Tijdens bezoekjes over en weer nam ze de mogelijkheden door.
Broer wilde de traditie van de voorletter B hooghouden, maar de rest van de naam hadden ze zelf bedacht, verklaarde hij. “Hij is dus niet vernoemd, ma.”
Eerst was ze teleurgesteld en dat liet ze merken ook. Na enkele dagen kwam ze daarvan terug. Ze had zitten puzzelen en door zelf na te denken was ze er achter gekomen hoe het zat. “Jullie zeggen dat hij niet vernoemd is, maar kijk eens goed: behalve de B staan alle letters van pa’s naam erin. de r zelfs twee keer!
“Dat kun je gewoon uit je kop zetten,” zei Broer. “Die B is het enige, de rest heeft er niks mee te maken.” Het deerde ma niet. Ze bleef overtuigd en was blij op de koop toe: Broer had het goed gedaan, ook al wist hij er zelf niets van. Dat hoefde ook niet. Als ma het maar wist. En die twijfelde er niet aan. Het bewijs had ze immers geleverd. Het kind was vernoemd!

Nu waren wij aan de beurt. Tijdens de koffie kon ze hierover vanuit het niets beginnen. “Alie … daar kun je mooie namen van maken”,  zei ze dan. “Als je dat niet wilt, kun je misschien iets doen met pa’s naam. Ik weet dat jullie hem daar een groot plezier mee doen. Dat zou hij echt fantastisch vinden.” Pa zat ernaast en gaf te kennen dat ze moest ophouden met haar gedram. Hoe het kind ging heten maakte hem niet uit.
Maar ma zag het anders. Als wij een meisje zouden krijgen wilde ze zelf vernoemd worden. Ze wilde het zo graag dat ze het verwachtte. Bovendien, als er één persoon was die zo’n vernoeming wel verdiend had was zij het, vond ze.
Toen onze kleine was geboren, belde ik naar huis met het goede nieuws via de telefoon die in de verloskamer aan de wand hing.
– Ma, Rolf hier. Gefeliciteerd, je hebt een kleindochter. En je bent vernoemd!
Lammy schrok en keek ontsteld in mijn richting. Ik gebaarde dat het goed zat en probeerde een knipoog, maar die stuitte in haar gezicht op een vraagteken.
– Hoe heet ze dan? vroeg ma.
– Mariska.
– WÀT?
– Mariska, ma.
– Ma… Ma… Mariska?
– Mariska ja.
– Ma… ma… maar … wat heeft dat te ma…
Haar stem sloeg over en ik moest mijn lach onderdrukken.
– Je mag er best trots op zijn hoor.
– Maar …
– Ma … mooier kan toch niet? Waarom zo negatief? Je bent vernoemd, wees toch blij! Má-riska, ma. Van ‘ma’!
De telefoon werd een stoommachine.
– Dit is geen moment om geintjes te maken!
Ik vond van wel. De jonge moeder eveneens. Het kraambed schudde ervan. De knipoog was aangekomen.