Fragment 3

Door haar bril (uit hoofdstuk 6)

Toen ik acht was kreeg ik een brilletje. Daarover had ik al heel wat strijd met ma gehad. Ik was een druk kereltje dat graag buiten mocht zijn. Hutten bouwen, fikkie stoken en natuurlijk voetballen. Ik wilde een metalen exemplaar dat tegen een stootje kon. Ik gaf aan dat de bril bij het koppen telkens een optater zou krijgen, waardoor hij stuk kon gaan. Ma vond dat ik een mooie nette moest hebben. Daar moest ik verder niet over zeuren. Wanneer ik tijdens het voetballen wilde koppen, moest ik hem op dat moment maar even af doen! Wel liet ze mij in de winkel allemaal brillen passen – ook zo’n metalen bril -, maar haar keus stond al vast. Ook de opticien vond een praktisch brilletje van metaal beter bij mijn beweeglijkheid en mijn leeftijd passen dan de bril die mijn moeder voor ogen had.
Ik heb maximaal tegengestribbeld om haar te laten inzien dat het mij echt menens was. Mijn verzet baatte niet. Wie betaalt bepaalt, dus hoe graag de winkelier dat arme joch ook had geholpen, het was ma die aan het langste eind trok.
Het onding ging mee. Ik moest de wereld voortaan door haar bril bekijken. Op school zou ik de andere kinderen zo onder ogen moeten komen. Elke dag weer. Ook de spiegel zou me dagelijks met het gruwelijke geval confronteren. Alleen al bij de gedachte voelde ik een golf van schaamte.
Ma deed in de winkel nog vriendelijk, maar thuis was dat vlug over. “Hoe haal je het in je hoofd om mij telkens te schande te maken?” Om haar woorden extra kracht bij te zetten, ging het weer van pets-pets.

Mijn bril moest ik ook aan opa en oma S. laten zien. Ik zag de bui al hangen en daarom wilde ik er niet naartoe. Opa, of anders oma, zou me wel weer belachelijk maken en mij uitlachen. Ma wuifde dit weg. Want, ze zei, ze had vooraf al met ze gesproken en ze kon verzekeren dat er niets naars zou gebeuren. Ik trapte er weer in en ging mee. Toch was ik er niet gerust op. Voorzichtig stapte ik het huis binnen.

“Hé, mu’j nou toch kieken, wat een schele brillenjood!” Oma’s stem schetterde door de kamer. Opa bulderde van de pret. Daardoor kreeg oma de smaak te pakken. “Wat een wiesneuze, ie komt wel intelligent over, maor zo zie ie d’r niet uut!”
Ma zei dat ze mij niet zo moesten plagen. Maar het lachen stopte niet.
Ik ben de deur uit gerend. Als ik maar uit hun buurt was. Buiten doolde ik een tijd rond. Wanneer ik me zo verlaten voelde, was ik liever alleen.

Ik raakte aan de bril gewend. Na een tijd speelde ik weer gewoon mee en dus gebeurde er wel eens een ongelukje. Montuur stuk, dat dan werd gelapt met lijm of blanke tape. Als ik thuis kwam met wederom een kapotte bril, ging ma tegen mij tekeer. Wat spelen? Een klap voor m’n kop kon ik krijgen.
– Weet jij wel hoeveel zo’n bril kost? Pa moet hard voor zijn centen werken. Door jou komen er altijd onvoorziene kosten, zodat wij niet kunnen kopen wat wij graag willen. Dus moeten wij nóg langer sparen. Jij jaagt ons op kosten met die bril altijd kapot. Je wordt maar eens rustig, dan gaan er geen dingen stuk!
Ik stelde voor om toch een andere te kopen, eentje van ijzer. Ma begon mij uit te lachen en vroeg: “Je bedoelt toch niet zo’n metalen ziekenfondsbrilletje?”
– Jawel, dat zijn brillen die meebuigen als er een bal tegenaan komt. Daardoor gaat hij niet zo snel kapot. Dan kost het toch minder geld?
– Nou jongen, je leert maar voorzichtig te doen, dan gebeurt er ook niks. Daar komt bij dat dit soort brillen alleen vergoed worden voor mensen die armer zijn dan wij. Dat gaan wij niet doen, want dan kan iedereen denken en zeggen dat wij arm zijn. Ik wil niet dat ik door jouw toedoen gezien word als een arme sloeber. Dus het gebeurt gewoon niet en daar is de kous mee af. Ook pa’s poging om ma alsnog op andere gedachten te brengen, haalde niets uit. “Jij werkt voor ons geld, ik ga over het geld en ik bepaal waar het wel of niet aan wordt uitgegeven. Als je het er niet mee eens bent, heb je pech!” zei ma. Dat was het einde van de ’discussie’. Ik bleef dus met een kunststof bril lopen die lang niet zo shockproof was als mijn hoofd.